Vorig jaar rond deze tijd vroor het ook zo hard. Mijn vijver raakte dicht. De eerste dagen hield ik hem open voor het leven dat zich in de donkere diepte onder de ijslaag had verscholen, maar het was niet bij te houden.
Mijn hoofd stond er ook niet helemaal naar. Bijna iedere dag maakte ik de reis naar het ziekenhuis waar Semmetje lag te vechten. Klein en kwetsbaar in die zee van gesteven wit, een ander kind van acht zou tweemaal zo groot zijn. Zijn lichaam had het sinds de bijna-verdrinking zeven jaar eerder te druk gehad met andere dingen, om te kunnen groeien volgens de algemene voorschriften.
Het hoofdje lag naar links, nooit naar rechts, want die draai stonden de verkrampte spieren al tijden niet meer toe, de schedel een beetje vervormd van het vele liggen in dezelfde houding. Wat gebeurt er met een bol brooddeeg dat je verzuimt in de oven te doen? Hij zakt langzaam naar de vorm van zijn ondergrond.
Ik had wel foto’s gezien van voor het ongeluk. Een stevig kereltje was Sem toen, met wit glanzende engelenkrullen. Gelukkig dat hij zo stoer was, dat hij wel tegen een stootje kon. Want je hebt heel wat te verduren als je in een lichaam woont dat het niet meer doet. Een lichaam dat door anderen getild, gedragen, gekleed, gevoed, ontlast, geprikt, onderzocht, verplaatst, omhoog gehesen en verschoond moet worden. Al dat gesjor aan je lijf, terwijl je niet kunt zien waar de handen of de bedrand je de volgende keer zullen raken. En hoe hard.
Hij lag in dat grote ziekenhuisbed als een visje te happen naar adem, de ogen gesloten, de lippen getuit, zijn borst rijzend en dalend op het ritme van de hartslag van een mus.
Veel mensen vinden het moeilijk om bij een mens te zijn die niet reageert. Dat vond ik eerst ook.
‘Hallo Sem, hoe gaat het jongen?’ Stilte. Moet ik zeggen wie ik ben, of herkent hij me wel aan mijn stem?
‘Je hebt het zwaar, he kerel? Vind je het zo lastig om adem te halen?’ Stilte. Misschien hoort hij me niet eens.
‘Wat kan ik voor je doen lieverd?’ Stilte. Misschien is hij niet echt bij bewustzijn, heeft hij geen weet van mensen om zich heen.
‘Vind je het prettig dat ik je aanraak of juist niet?’ Stilte. Ik sta mezelf hier belachelijk te maken.
Zo was het in het begin. Maar ik ging zijn antwoorden horen in mijn hart. En verklaarde mezelf eerst voor gek, want wie hoort er nu antwoorden in zijn hart? Dat fenomeen heet toch fantasie? Maar als ik in de beslotenheid van ons samenzijn durfde uit te spreken wat ik hem vroeg en wat ik dacht te voelen als antwoord, reageerde hij. Met een kreun, met meer rust, met een trilling in een mondhoek, zelfs met koortsverlaging.
Ik kan een half boek vullen met de twijfels die ik had over mijn waarnemingen, gedurende de tijd dat ik met hem omging. Dat ga ik niet doen. Laat ik eens kijken naar wat deze bijzondere communicatie behalve twijfels nog meer opleverde.
‘Hé kerel, wat lig je hier nou,’ begroette ik hem de eerste keer in het ziekenhuis. Stilte.
‘Je bent ver weg hè jochie. Gelukkig ook maar, want het ziet er naar uit dat je lichaam het niet prettig heeft. Ik ga je even zoeken.’ Ik zette mij tas neer en ging zitten in de leunstoel naast zijn bed. Deed mijn ogen dicht, ademde een paar keer diep uit, bracht mijn kolkende gedachten tot rust.
‘Sem, waar gaat dit nieuwe avontuur over?’ dacht ik in stilte.
‘Mijn trein staat op het punt om te vertrekken,’ hoorde ik in de stilte.
‘Jongen toch, dat lijkt heel serieus. Hoe moet ik dit beeld verstaan? Bedoel je de trein die jou weghaalt uit dit leven?’ Stilte. Doe het er maar mee. Versta het, of versta het niet.
Sindsdien kreeg ik een aantal malen tekst en beeld over zijn trein en de voorbereidingen voor zijn reis. Een deel van me nam de beelden aan, een deel van me hield tot aan zijn laatste ademteug de hoop vast dat het tij zou keren. Een verpleegster kwam binnen. Ze groette me met een knikje, liep door naar Sem en verzuchtte:
‘Ach jong, wat lig je te hijgen. Je lijkt wel een stoomlocomotief.’
Sterfgevallen zijn vaak omgeven met wondertjes, met gekke toevalligheden. Mensen die het van nabij hebben meegemaakt weten dat.
Sems trein vertrok op 3 januari. We waren er allemaal bij, ouders, broer en zussen, oma, vrienden, dokters. Het was een heel bijzonder moment. Thuis, bovenop de Chinese kast in de woonkamer stopte de klok, het was zeven minuten voor half negen. Hij zwijgt nog steeds, een monument voor Sems heengaan.
Bij de voorbereidingen van het opbaren liet zijn grote zus me Sems geboortekaartje zien. Er stond een treintje op, ze had het indertijd zelf getekend.
Mijn vijver raakte in die dagen bedekt met een blinde ijslaag. In het voorjaar dregde ik het verloren gegane leven op. Vier kikkers en drie vissen, in verschillende staat van ontbinding.
Sinds een paar maanden wonen er twee verlegen goudvisjes in, afkomstig van de vissenkom van een vriendin, die ze als decoratief symbool bij het Iraanse nieuwjaarsfeest had gebruikt. Goudvisjes, symbool voor het nieuwe leven.
Dit jaar houd ik de vijver open.



